Passieve brandpreventie

Beheersen is beter dan alleen blussen

Branden dienen geblust te worden en liefst voorkomen, maar ze moeten vooral ook beheersbaar zijn. Passieve brandpreventie is bedoeld om te voorkomen dat de brand overslaat of het pand instort. Brandwerende deuren, plafonds en wanden kunnen de groei van een vuurhaard vertragen en de schade sterk beperken. Toch is er bij de brandweer en de bouwers veel te weinig aandacht voor passieve brandpreventie. Ten onrechte wordt aangenomen dat de maatregelen duur en onnodig zijn. In werkelijkheid is de prijs die we ervoor betalen bij een onbeheersbare brand onnodig hoog.

Twee beelden maakten de aanslag van ‘9/11’ op de torens van het World Trade Center iconisch: dat van het vliegtuig
dat er in vloog en dat van de torens die instortten. Misschien was het tweede nog wel angstaanjagender. Als dat niet was gebeurd zou de ramp minder omvangrijk zijn geweest, omdat duizenden mensen
via de trappen hadden kunnen ontkomen. De staalconstructie begaf het door
de brand. Een gruwelijk ‘staaltje’ van tekortschietende passieve brandpreventie, maar tegelijk een krachtig voorbeeld van de mogelijkheid met dergelijke maatregelen de gevolgen van een brand te beperken.

Onderbelicht en onbesproken

Gemeenten besteden deze vorm van toezicht uit aan de brandweer, maar die is vooral op de actieve kant gericht. Ze zal nagaan of je voldoende sprinklers, blussers en melders hebt geïnstalleerd, meer niet. Ik heb ooit eens aan een controleur gevraagd: “En wat wilt u weten van de passieve maatregelen die
ik genomen heb?” De man antwoordde: “Oh, ik neem aan dat die wel goed zullen zijn.” Dat gaat zeker niet op voor het merendeel van de overheidsgebouwen. Voor de meeste bedrijfspanden geldt gelukkig dat die wel min of meer in orde zijn, maar ondernemers hebben vooral aandacht voor de meters, de ligging en de prijs en worden er door de bouwwereld nauwelijks op geattendeerd. De architect wil een mooi gebouw, de aannemer tracht op deze ‘luxe’ te besparen. Het thema passieve brandpreventie blijft zo makkelijk onderbelicht en onbesproken.”

Vervolgschade en directe schade

Verzekeraars kijken steeds kritischer naar de manier waarop een brand heeft kunnen ontstaan én uitbreiden en keren niet uit als de eigenaar van het gebouw zich niet aan alle verplichtingen heeft gehouden. In de Verenigde Staten investeren bedrijven wel voldoende in passieve brandpreventie, maar daar bestaat dan ook een claimcultuur. Ook zonder claims van andere getroffenen kan een brand echter het bankroet betekenen. 70 procent van
de bedrijven keert niet terug. Zelfs multinationals zijn niet immuun voor zo’n ramp. De Fordfabriek in Keulen is ooit volledig uitgebrand. Daardoor beschikte Ford niet langer over voldoende voorraad nieuwe auto’s en zelfs reserveonderdelen. In heel West-Europa kon geen auto meer gerepareerd worden, zodat peperdure noodoplossingen moesten worden gevonden in de vorm van het overzees invliegen van onderdelen. Vanzelfsprekend zat de concurrentie ook niet stil in die tussenliggende maanden voordat de fabriek weer operationeel was. De vervolgschade van een uit de hand gelopen brand kan dus vele malen groter zijn dan de directe.

Van een beschermde naar een vrije markt

Maar heeft de onderinvestering in passieve brandpreventie ook geen andere oorzaken? Tot halverwege de jaren negentig was de markt puur nationaal georganiseerd. Elk product werd in elk land aan een dure test onderworpen; de klant had weinig keuze uit aanbieders. In feite moest zijn behoefte eerder aan het beperkte aanbod worden aangepast dan andersom. Sinds de EU onze markt heeft opengetrokken is er nog maar één test nodig voor 27 landen. Als agent kan ik nu kiezen uit een breed scala
aan producten en merken en de behoefte van mijn klanten wél centraal stellen. Het valt mij telkens weer op dat er nog steeds producenten zijn die het moeilijk hebben met dit verlies van ‘hun’ beschermde nationale markt en de overgang naar een vrije Europese, maar voor de afnemers is het een zegen. De prijzen zijn sindsdien met ruwweg 50 procent gedaald.

Publiekstraan

Jammer genoeg blijft het dure imago de sector achtervolgen. Ook dit is deels te wijten aan het gebrek aan kennis en aandacht.
Dat is des te bedroevender, omdat dankzij de combinatie van een sterk toegenomen keuze in producten en een sterk gedaald prijsniveau veel meer mogelijk is dan vroeger. De montagebedrijven waarmee wij werken kunnen een nulmeting uitvoeren. Aan de hand daarvan kunnen wij, samen met de ondernemer, nagaan hoe hij de maatregelen op het gebied van de passieve brandpreventie het beste in overeenstemming brengt met die van de actieve brandpreventie. Want laat één ding heel helder zijn: actief en passief sluiten elkaar niet uit, ze vullen elkaar juist aan. Met actieve maatregelen alleen bedwing je een brand niet. Het probleem is vaak dat het vuur al te ver is uitgeslagen voordat de brandweer ter plaatse is. Dan krijg je fenomenen als de ‘publiekstraan’: de wagens zetten een paar waterstralen op een brandend pand, zodat de omgeving denkt dat er geblust wordt, terwijl dat beetje water weinig uithaalt en
de brandweer alleen wacht tot de brand begint uit te doven. Met brandwerende en brandvertragende maatregelen, van verven tot vloeren, kun je een brand beperken tot één compartiment van het gebouw. Zelfs een goedkope brandwerende deur kan het vuur in een andere kamer al een uur tegenhouden.

Een pand dat brandveilig is valt wel te vergelijken met een
veilige auto. Het ABS-systeem, de airbag,
de gordel zijn stuk voor stuk nuttige actieve veiligheidsmaatregelen die de impact van een botsing op het lichaam reduceren.
Maar het is de kooiconstructie die de meeste bescherming biedt. Zonder zo’n constructie worden de passagiers letterlijk en figuurlijk verfrommeld bij een aanrijding, met of zonder gordel. Passieve brandbescherming is voor het gebouw wat de kooi is voor de auto. Daarin investeren is geen luxe maar pure noodzaak.