Pensioen in eigen beheer

Pensioen in eigen beheer Het einde in zicht?

Geruime tijd geleden wees ik in deze rubriek al op de nadelen van het houden van een pensioenverplichting in eigen beheer. Zeker in het verleden werd aan veel directeur grootaandeelhouders (DGA’s) door de eigen BV een pensioentoezegging gedaan.

Vaak was daarbij het reserveren voor de oude dag niet de leidende gedachte, maar vormde het ‘besparen’ van belasting het hoofdmotief. 
Het aantrekkelijke was dat er niet echt pensioenpremies betaald hoeft te worden, maar er wel een jaarlijkse pensioenlast ten laste van het resultaat kan worden gebracht. Kortom geen kosten en wel aftrek. Dat lijkt te mooi om waar te zijn en uiteindelijk blijkt het na vele jaren van steeds complexere regelgeving ook inderdaad te mooi om waar te zijn. Door de dalende marktrente wordt de noodzakelijke pensioensvoorziening steeds hoger. Belangrijk gevolg daarvan is dat er onvoldoende reserves overblijven om nog dividend uit te keren. Het vermogen zit dan vast in de BV. Stoppen met verder opbouwen van pensioen en het ‘bevriezen’ van de voorziening, was de enige optie. In veel gevallen was het kwaad echter al geschied en was dit nog slechts een ‘doekje voor het bloeden’.

De belastingdienst is tegelijkertijd steeds alerter op pensioen-BV’s die ‘onder water staan’ en indien blijkt dat dit is veroorzaakt door dividenduitkeringen of anderszins ‘leeg halen’ van de pensioen-BV, kan een fikse naheffing het gevolg zijn. Mede in dit licht en het feit dat de wetgeving rondom de pensioenen in eigen beheer zeer complex is geworden, is de roep om vereenvoudiging en een oplossing voor dit pensioenprobleem in eigen beheer steeds luider geworden. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een brief aan de Tweede Kamer van 1 juli jl. waarin de Staatssecretaris van Financiën twee oplossingsrichtingen voorstelt, die een einde moeten kunnen maken aan deze onwenselijke situatie.

Twee alternatieven op de pensioen voorzieningen

Heel in het kort komen zijn oplossingen erop neer dat de BV jaarlijks een bedrag mag reserveren voor de ‘oude dag’ van de
DGA, zonder dat de DGA (en eventuele nabestaanden) daarop een juridisch afdwingbaar recht krijgt. Hij noemt dit de de Oudedagsbestemmingsreserve (OBR). Jaarlijks mag de BV ten laste van de winst een bedrag aan de OBR toevoegen. Op einddatum wordt voor het bedrag van de OBR bijvoorbeeld een lijfrente gekocht. Indien de OBR niet wordt aangewend, maar vrijvalt ten gunste van het resultaat, wordt daarover vennootschapsbelasting én revisierente betaald. De andere oplossingsrichting wijkt niet veel af van de OBR, maar wordt: ‘Oudedagssparen’ genoemd. Het systeem is vrijwel hetzelfde, maar nu ontvangt de DGA (en eventuele nabestaanden) wél een juridisch afdwingbaar recht. Ook in dit geval wordt op het aanwendingsmoment het beschikbare bedrag op een lijfrenteverzekering (of ander toegelaten product) gestort en volgen met loonbelasting belaste uitkeringen aan de DGA.

Voordelen van beide alternatieven zijn dat ieder jaar (binnen bepaalde grenzen) bekeken mag worden of en hoeveel wordt gedoteerd. Daarnaast mogen bestaande pensioensvoorzieningen worden omgezet in een OBR of Oudedagssparen tegen de geldende scale waarde. Hiermee is de DGA dus de nitief verlost van de hogere commercieel berekende voorziening, die op einddatum de basis voor de pensioenuitkeringen zal zijn.

Voor de heer Wiebes nog de uitdaging om één of beide alternatieven om te zetten in ‘begrijpelijke’ wetgeving. We wachten met spanning af.