Re-integratie processen

QuickScan over de effectiviteit van re-integratie

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil samen met Divosa, UWV, VNG en VWS een kennisprogramma opzetten om de professionaliteit van de gemeentelijke uitvoeringspraktijk een krachtige stimulans te geven. In dat kader heeft het ministerie van SZW aan TNO gevraagd in een QuickScan van de wetenschappelijke literatuur in kaart te brengen wat er bekend is over de effectiviteit van re-integratie processen in het gemeentelijk domein van werk en inkomen, en op basis daarvan aanwijzingen te destilleren voor te onderzoeken thema’s.

Omdat het kennisprogramma tot doel heeft de uitvoeringspraktijk te versterken, is het handelingsperspectief voor de professional het uitgangspunt geweest voor deze QuickScan. Daarbij is niet alleen gekeken naar wat er bekend is over de effectiviteit van deze handelingsperspectieven, maar ook naar factoren die die effectiviteit kunnen beïnvloeden zoals werkprocessen, aansturing, bejegening en professionaliteit.

Om de handelingsperspectieven te structureren is het model van Wanberg et al. (2002) gebruikt als kapstok. Dit model bestaat uit vijf individu gerichte componenten (Zoekgedrag, Belemmeringen, Human Capital, Social Capital, Economische Incentives) en twee arbeidsmarkt gerelateerde componenten (Discriminatie, Vraagversterking Arbeidsmarkt). De aanwezige wetenschappelijke kennis over interventies is voor zowel het geheel als voor de afzonderlijke componenten in kaart gebracht door middel van literatuuronderzoek en een expert raadpleging.

Overall gezien hebben re-integratie processen een klein maar positief effect op de kans van het vinden van werk. Daarnaast zijn de effecten heterogeen: sommige interventies zijn effectiever dan andere. Evidence-based informatie voor de handelingsperspectieven van professionals in de uitvoeringspraktijk is beperkt aanwezig in de literatuur. Dit betekent overigens ook dat er nog veel winst te behalen is door naar de werkzame bestanddelen te kijken en die te implementeren.

Wat is er bekend?

Uit de QuickScan komt naar voren dat interventies gericht op het stimuleren van (frequentie en kwaliteit van) Zoekgedrag de kans op het vinden van werk vergroten. Trainingen dienen dan echter wel zowel de vaardigheden als de motivatie te versterken. Voor het reduceren van of leren omgaan met Belemmeringen zijn er veelbelovende interventies gevonden, die volgens het principe first place, then train zijn vormgegeven. Deze interventies blijken in Canada en de VS erg succesvol voor met name mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen.

In Nederland zijn de gevonden effecten kleiner. Ook voor het versterken van Human Capital lijken first place then train interventies in de vorm van werkervaringsplekken, met name in de private sector, zinvol. Voor scholing is er geen eenduidig effect te zien; op korte termijn lijkt er geen effect te zijn, op de lange termijn een klein positief effect. Voor Economische Incentives is er een verband gevonden tussen hoogte, duur van de uitkering en stringente monitoring en de snelheid van het vinden van een baan. Verplicht vrijwilligers-werk vergroot de afstand tot de arbeidsmarkt.

Wat is er nog niet bekend?

Van first place then train gebaseerde aanpakken is nog niet bekend of en hoe deze ook geschikt zijn voor andere groepen dan mensen met een ernstige psychiatrische aandoening. We weten bijvoorbeeld niet of zo’n aanpak effectief is bij werkzoekenden met mildere klachten of andere (fysieke) aandoeningen. Ook is niet bekend waarom werkervaringsplekken in de private sector beter lijken te werken dan werkervaringsplekken in de publieke sector. Ook voor zogenaamde praktische beperkingen is niet bekend welke interventies effectief zijn. Hoewel Economische Incentives lijken te werken, is het niet bekend of snellere uitstroom ook leidt tot een duurzame uitstroom. Eigenlijk is er voor alle zeven componenten nog weinig zicht op de effectiviteit van interventies op de lange termijn. Ook is er geen zicht op de ervaren kwaliteit van de gevonden baan, de tevredenheid daarmee en het inkomen.

Er zijn geen interventies gevonden, waarin werd geëxperimenteerd met nazorg. Verder is er geen wetenschappelijk bewijs over de effectiviteit van interventies aangaande schuldenproblematiek en armoedebestrijding. Voor de drie componenten Social Capital, Vraagversterking Arbeidsmarkt en Discriminatie kan gesteld worden dat er zeer weinig interventies gevonden zijn. Onderzoek naar Social Capital beschrijft met name de rol van netwerken. Onderzoek naar Vraagsterking Arbeidsmarkt is nog braakliggend terrein op macro-, meso- en microniveau. In het rapport worden wel enkele mogelijke routes verkend (werkgeversbenadering, sleutelen aan banen en functies, sociale ondernemingen). Ook voor Discriminatie zijn er geen evidence-based interventies bekend. Mogelijk bieden aanpakken gericht tegen (zelf) stigma zoals ontmoeting, mentorprogramma’s en proefplaatsingen handvatten om interventies te ontwikkelen.

Factoren in de context

De componenten in het model van Wanberg et al. (2002) kunnen niet los gezien worden van de context. In het kader van de uitvoeringspraktijk zijn dit de werkprocessen, aansturing en bejegening. In het veld zijn vele initiatieven beschikbaar om deze te versterken, maar deze zijn zelden (wetenschappelijk) geëvalueerd. Verder blijkt dat waar wetenschappelijk bewijs voorhanden is, deze vaak onvoldoende gebruikt wordt door de praktijk. De implementatie van onderzoeksresultaten blijft achter. Een thema wat hieraan raakt is dat het onderzoeksveld nog grotendeels gefragmenteerd is. Studies waarin beleidsmatig, gedragsmatig en organisatorisch onderzoek worden gecombineerd zijn niet voor handen.

Betekenis QuickScan voor het onderzoekprogramma Versterking uitvoeringspraktijk

Er is nog niet voor alle componenten van het model van Wanberg et al. (2002) inzichtelijk welke interventies voor handen zijn, welke onderbouwing daarvoor beschikbaar is en hoe de verschillende componenten zich tot elkaar verhouden. Re-integratie processen zijn op basis van het model van Wanberg et al. (2002) op te vatten als een geheel van zeven knoppen waar aan gedraaid kan worden. Het hoe en waarom aan welke knoppen draaien en hoe die knoppen zich tot elkaar verhouden, de duurzaamheid van de effecten en de kwaliteit van het werk waar mensen in terecht komen zijn onderwerpen waar nog nauwelijks inzicht in is.

Daarom bepleiten wij 

  1. dat de kennis die al is neergelegd in de protocollen en werkwijzers van Divosa, AKC en andere partijen verder onderbouwd wordt, waarbij gekeken wordt naar effectiviteit in het professioneel handelen én het realiseren van succesvolle re-integratie,
  1. het, waar mogelijk, opstellen van diepgaande reviews dan wel meta-analyses op de gebieden waar nog inconclusive evidence is,
  1. het ontwikkelen en implementeren van richtlijnen van dat wat al bekend is, geflankeerd door onderzoek, en
  1. effectieve strategieën om professionaliteit verder te bevorderen.

Health-en-Saffety-jaarcongres