Strafrecht: Interessant asbestverwijdering besluit

Verkeerde afvalstoffen in asbestverwijdering

Bedrijf A moet twee silo’s slopen. Uit het asbestinventarisatierapport blijkt dat de nieuwste van de twee silo’s asbestvrij was en dat de oudste een chrysotiel bitumencoating had. Nu de nieuwe tegen de oude silo was aangebouwd zat een deel van de coating tussen de silo’s in. De coating was enkel benaderbaar vanaf de binnenzijde van de nieuwe silo.

Onderstaande vindt u een interessante asbestverwijdering uitspraak.

De sanering moest bestaan uit een buitensanering in risicoklasse 2 (buitenkant oude silo) en een binnensanering in risicoklasse 2 (binnenkant nieuwe silo ten behoeve van de oude silo). Het voor de binnensanering verplichte ‘containment’ moest volgens de SC-530 worden uitgevoerd en bedrijf A was hiertoe gecertificeerd.

Werkplan asbestverwijdering

Er was een werkplan asbestverwijdering opgesteld. In opdracht van bedrijf A werd door een hoger veiligheidsdeskundige een ‘asbestadvies’ opgesteld omdat bleek dat een binnensanering praktisch niet uitvoerbaar was. De Hoger Veiligheidskundige – HVK’er – adviseerde de sloop van de nieuwe silo waarna de coating op de oude silo gesaneerd kon worden volgens een buitensanering. Dit onder de voorwaarde dat de sloop met de nodige voorzichtigheid diende te geschieden en dat beschadiging van de coating diende te worden voorkomen.

Na de sloop van de nieuwe silo is er een nieuwe risicoklassificatie gemaakt voor de oude silo. Het werkplan is vervolgens aangepast waarin het advies van de HVK’er werd vermeld:

asbestverwijdering middels een hoogwerker, het afsteken van de teerlaag en het opvangen op folie.

Tijdens de werkzaamheden bleek dat er gaten in de muur ontstonden waarop na divers overleg tussen Deskundige Toezichthouder Asbest – DTA – en vertegenwoordigers het plan is aangepast en de best beschikbaar techniek is gebruik: het met ene grijper verwijderen van muurdelen in zo groot mogelijk stukken, omgeving benevel, en de overgebleven stukken muur middels handpicking verwijderen.

Één en ander is handmatig in het werkplan opgeschreven.

De toezichthouder van de afdeling Bouw en Wonen van de gemeente neemt 2 monsters uit een berg puin buiten het asbestafzettingsgebied (aangemerkt als ‘schoon puin’) waarvan er een chrysotiel bleek te bevatten. Andere monsters van die omgeving toonden ook nog andere soorten asbest aan. Daarnaast is als ‘schoon’ aangemerkt sloopafval dat reeds was afgevoerd positief getest op amosiet en anthofylliet.

De volgende vragen waren voor de rechtbank van belang:

  1. zijn er handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan en
  2. is de 260 ton puin aan te merken als gevaarlijke afvalstoffen.

De rechtbank overwoog als volgt. Op basis van het dossier kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen chrysotiel uit de berg puin uit de coating van de oude silo afkomstig was. Nu in het asbestinventarisatierapport enkel wordt gesproken over de aanwezigheid van chysotiel in de oude silo, kan het andersoortig aangetroffen asbest niet aan de tenlastelegging worden gelinkt.

Er is daarom geen bewijs dat de sloop van de bitumencoating van de oude silo heeft gezorgd voor asbesthoudend materiaal buiten het asbestafzettingsgebied. De rechtbank overweegt verder dat het advies van de HVK geen sloopinstructie bevat. Dat de HVK later heeft verklaard dat de coating met de hand moest worden verwijderd doet hier dus niet aan af.

Daarnaast vermeldt ook de werkmethode of de SC-530 bijlage B niet dat met de hand moest worden verwijderd. Het is de verantwoordelijkheid van bedrijf A om na het advies van de HVK een juiste saneringsmethode te kiezen volgens de ‘best beschikbare technieken’ en uit niets blijkt dat bij een wijziging van werkwijze opnieuw een HVK of een andere deskundige had moeten worden geraadpleegd. Het is dus niet komen vast te staan dat de werkwijze van bedrijf A in strijd met de SC-530 regeling is geweest of dat er is gehandeld in strijd met de ‘best beschikbare technieken’.

Voor wat betreft de tweede vraag zet de rechtbank de wet- en regelgeving omtrent het begrip ‘afvalstoffen’ uitgebreid uiteen om vervolgens tot de beslissing te komen dat het afgevoerde puin moet worden geclassificeerd onder ‘overig bouw- en sloopafval dat gevaarlijke stoffen bevat’. De laagst mogelijke grenswaarde om dergelijk materiaal als gevaarlijke afvalstof aan te merken ligt op een concentratie van 0.1% of minder.

Dit houdt in 1000mg/kg droge stof. Het in casu afgevoerde puin is onderzocht en daaruit bleek dat de concentratie asbest 40mg/kg droge stof betrof. Aldus is er geen sprake van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in art. 10.37 van de wet milieubeheer.

Het bedrijf wordt van beide feiten vrijgesproken. Bekijk de uitspraak.